Reisverslag blad 5: Mauritanië

 

Vrijdag 19 december 2008, vervolg

 

Terwijl we staan te wachten om de goedkeuring tot vertrek te krijgen van de zoveelste Marokkaanse uniformdrager, worden we benaderd door een Mauritanische gids, Mahfoudh ould Kabach. Hij wil ons wel voor wat euro’s door het niemandsland gidsen en onze laatste Dirhams voor de Mauritanische Ouguiya’s wisselen. Achteraf blijkt de € 20,-- een overbodige uitgave. De piste, die veel weg heeft van een autokerkhof annex vuilnisbelt, is een kilometer of vijf lang en is een fluitje van een cent. Het spoor is zo duidelijk dat je het onmogelijk kunt missen. Het zou me spijten als ik met deze aantekening Kabach het brood uit de mond stoot, want het is beslist een aardige vent, en ach, waar praten we over. Zie ook www.guidemauritanie.com.

 

De grenspassage aan de Mauritanische kant heeft weinig voeten in de aarde. We delen hier en daar een ballpoint of een T-shirt uit en zijn met een kwartiertje weer weg. Een bijzonder aardige ervaring is die waar een hoger geplaatste beambte de gegevens uit onze paspoorten dicteert aan een lager geplaatste schrijver. Uiteraard complimenteren wij de man met zijn uitstekende uitspraak van het Nederlands, maar zijn toch wel benieuwd hoe uiteindelijk woorden als Jeddelbruk (Edelbroek) en Zuttrmer (Zoetermeer) op papier gekomen zijn! Even voorbij de grens is de splitsing Nouakchott Nouadhibou. Wij vinden het wel welletjes en gunnen onszelf een uitstapje naar Nouadhibou. Van Kabach hebben we de naam gekregen van camping Abba, die volgens hem door veel toeristen wordt bezocht. Voordat we die echter kunnen vinden, wat erg veel moeite kost, passeren we toevallig een andere camping. We gaan nog wel kijken bij Abba maar kiezen toch voor het mooie Baie du Levrier, een goed onderhouden accommodatie met keurige toiletten en warme douches. Het is lekker weer en ons plekje onder de enige boom en naast een grote Bedoeïenentent is ronduit idyllisch te noemen. Later maken we pasta klaar met een sausje van verse tomaten en drinken we een glaasje rode wijn. We voelen ons de koning te rijk.

Zaterdag 20 december 2008

 

De ochtend begint met koffie en lekker warm stokbrood van de bakker naast de camping. We zijn exact een week onderweg en hebben 5056 gereden. Dat schiet dus prima op. De avond tevoren zijn er enkele Fransen aangekomen met oude busjes van de Franse politie. Die zullen zij verkopen in Mali. Er gaat nog steeds veel handel in oude auto’s over de weg. Zij zijn al vroeg opgestaan om weer te vertrekken, maar echt vlot gaat het niet. Het is dan ook niet onlogisch dat wij een dag later, ondanks een uitstapje en een tamelijk kalm gangetje, de groep weer voorbijrijden.

De haven van Nouâdhibou is de moeite van een bezoekje waard. De witte vissersboten die er worden gebouwd zijn een meter of acht lang en als ze nieuw zijn lijken ze wel gemaakt van zeeschuim. Met deze notendopjes varen de vissers de zee op. Als ik een ander, mooi beschilderd schip een bateau noemde word ik door de eigenaar gecorrigeerd. Die vissersbootjes zijn bateaus, hij bezit een pirogue. Je moet het allemaal maar weten. In de haven van Nouâdhibou liggen een stuk of tien scheepswrakken, die bij eb voor een deel boven water uitsteken, maar bij vloed soms moeilijk zichtbaar zijn. En dan worden het er vanzelf wel een keertje elf. Onderweg komen ons een busje en een knalgele Landcruiser tegemoet met Nederlandse kentekens. We veronderstellen dat ze onderweg zijn naar camping Abba.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is al laat in de ochtend als we toch maar besluiten op te breken en richting Nouakchott te rijden. De eerste vijftig kilometer langs de spoorweg kennen we al. Maar ook de rest van de weg naar de hoofdstad is gloednieuw en prachtig asfalt. Het enige nadeel is dat ook deze weg erg saai is. Het landschap is kaal, de eerste kleine zandduinen laten nog lang op zich wachten en er is tot Nouakchott geen enkel dorpje te bekennen.

Gedurende het hele traject van 470 kilometer komen we misschien tien auto’s tegen. Het laatste stuk voor Nouakchott wordt de weg vierbaans, het wordt ook wat drukker en de kamelen doen ijverig mee in het verkeer. Nouakchott zelf is geen mooie stad, het is er druk met Mercedessen en ezelwagens, maar problemen met de geüniformeerde macht, zoals in Marokko, komen we hier niet tegen. Als we aangehouden worden, geven we een kopietje van het paspoort (fiche), en kunnen meteen doorrijden. De enkele keer dat er om cadeaus wordt gevraagd is te verwaarlozen. Wij hebben allerlei slechte verhalen gehoord, maar komen in dit land alleen maar aardige mensen tegen. Om een uur of vier ‘s middags verlaten we Nouakchott en rijden we naar het oosten.

 

uitkijken over de haven van Nouadhibou

Ongeveer een uur voor zonsondergang besluiten we om te stoppen. We zijn Ould Nâga voorbij en al een aardig stuk opgeschoten in de richting van Boutilimit. We vinden een mooi plekje bij een grote straalzendermast, waar we ons bivak opslaan. We zetten ons windschermpje op en zijn net van plan ons potje te gaan koken als een oude man in een versleten boubou vriendelijk groetend en knikkend een kijkje komt nemen. We vragen hem in het Frans of hij de bewaker is en of het goed is dat we daar staan. Daarna schakelen we gemakshalve over op het Nederlands; dat verstaat hij net zo min. Omdat we in Marokko geen extra dieselolie hebben ingeslagen hebben nog enkele nieuwe jerrycans over. Eén ervan besluiten we aan de man cadeau te doen, die hem vriendelijk knikkend in ontvangst neemt en er mee weg sjokt. Het is een mooie grote 25 liter jerrycan. Cadeau, pour vous. Een uur later is de man terug met een gevulde jerrycan. Hij is er helemaal mee naar zijn dorp gelopen om hem te vullen. Het misverstand is hilarisch en pijnlijk tegelijk. Pas als wij uit de auto een mooi T-shirt hebben geplukt dat we hem cadeau doen en daar de jerrycan bijvoegen, begrijpt hij de aanvankelijke bedoeling en lacht hij zijn bruine tanden bloot. Het is trouwens frisjes en wij geven hem ook nog een lekkere wollen trui. Aanvankelijk draagt hij die over zijn boubou. Als wij de volgende dag afscheid nemen zit de trui eronder. Dat ziet er beter uit.

Zelfs op de enige, slechts 7 km lange snelweg in Mauritanië hebben ze voorrang: de koningen van de woestijn.

bladeren naar: