Ana en de Dogon (een legende)

 

Dat een gast onderdak krijgt bij een Dogon is even vanzelfsprekend als het opgaan van de zon of het vallen van de avond. Het is zo vanzelfsprekend dat enige andere gedachte omtrent het gastheerschap bij de Dogon simpelweg niet opkomt. Amadou, de oudste zoon van Yoro Kassogué, de leerbewerker met de vele vrouwen, zei daarover het volgende: ‘Je kunt niet gaan eten zonder je gast uit te nodigen aan de maaltijd deel te nemen. En als iemand je erf betreedt, is het je gast. Dat heb je niet voor het uitkiezen.’ Daarop vertelde hij het verhaal van Ana en de Dogon.

 

Het is misschien wel eeuwen geleden dat de oude Ana het huis bezocht van een Dogon. Hij blijkt een gierigaard te zijn, die zijn gasten nooit iets cadeau doet. Ana weigert echter te vertrekken met een lege maag en blijft zitten op zijn erf.

‘s Nachts regent het en de volgende dag wordt de mil geoogst, zodat er volop voedsel is. De oude Ana bevind zich nog steeds op het erf van de Dogon. De gierige man zegt tegen zijn vrouw niet te gaan eten voordat Ana vertrokken is uit zijn huis, of te wachten tot zij slaapt. Ana blijft echter klaarwakker, zodat het Dogon-gezin met honger de nacht ingaat.

Weer regent het en overdag worden de bonen geoogst, een welkome aanvulling op de maaltijd met verse groente. Opnieuw zegt de Dogon tegen zijn vrouw te wachten met de maaltijd totdat Ana slaapt. En opnieuw blijft Ana wakker, zodat er niet gegeten kan worden.

De Dogon besluit, samen met zijn al even gierige vrouw, een list te verzinnen om Ana het huis uit te krijgen. Hij wil zich laten vallen op het erf en een ernstige verwonding voorwenden, waarna zijn vrouw Ana zal vragen om hulp te gaan halen in het dorp. Als zij daaraan gevolg geeft, kunnen de Dogon en zijn gezin snel even wat eten. Zo gezegd, zo gedaan. De man laat zich vallen en zijn niet al te snuggere vrouw smeekt Ana om mensen het gaan halen in het dorp.

‘Ana, Mijn man is doodgevallen,’ overdrijft de jammerende echtgenote, ‘ga alsjeblieft hulp halen in het dorp.’

‘Ik ben hier een vreemdelinge,’ antwoordt Ana ,’laten wij het lijk neerleggen bij die schaduwrijke struiken en samen gaan om hulp te halen.’

Samen dragen ze de Dogon naar de doornstruiken, en op het ogenblik dat ze die hebben bereikt, laat Ana de man vallen, zodat hij hardhandig kennismaakt met de scherpe stekels. Dat brengt de man eindelijk tot bezinning. Het ‘lijk’ staat op en stamelt duizend excuses. Vervolgens laat hij een schaap slachten en wordt er een feestmaal bereid, waarbij Ana de lekkerste hapjes krijgt toegestopt. De volgende dag, bij haar vertrek, krijgt zij bovendien nog een schitterend geschenk.

Sinds die tijd krijgt iedereen die een Dogon bezoekt een geschenk. U ook.

De Dogon

 

De Dogon behoort tot de volkeren van Mali, die hun oorspronkelijke cultuur nog redelijk in stand hebben kunnen houden. Kenmerkend voor het gebied zijn de historische huizen die gebouwd zijn tegen de rotswand. Evenals de beroemde moskee van Djenné behoren deze tegenwoordig tot het werelderfgoed.

Historie

 

In 1964 vond een spraakmakende Nederlandse expeditie plaats naar Mali o.l.v. architect Herman Haan, de zogenaamde Tellemexpeditie. Die expeditie ging naar het land van de Dogon, een streek ten oosten van Mopti, waar men zocht naar de overblijfselen van een lang geleden uitgestorven of verdwenen dwergvolk, de Tellem. De NCRV bracht daarvan via de enige Nederlandse televisiezender verslag uit in enkele tot de verbeelding sprekende afleveringen. Ook schrijver Bert Schierbeek werd meegesleept door het enthousiasme van Haan, nam deel aan een van die expedities en schreef daarover het boek Tellem, verkenning van een oude Afrikaanse cultuur. De reizen van Herman Haan waren spannend als een jongensboek over de oude ontdekkingsreizigers. Nederland maakte echter niet alleen kennis met een uitgestorven cultuur maar ook met een zeer levende en tot de verbeelding sprekende cultuur van de Dogon.

De legende van de twee broers

 

Er waren eens lang geleden twee broer die leefden in het zuiden van Mali. Het waren roerige tijden van oorlogen, epidemieën, sterfte onder het vee en grote droogte. De broers besloten hun geboortegrond te verlaten en trokken langs de grote rivier naar het Noorden in de hoop op betere tijden. Helaas was het ook mis in het Noorden. Oogsten waren mislukt en er heerste overal honger. De jongste broer, een jochie in de groei, leed het ergste van de twee en hoezeer zijn oudere broer hem ook moed in sprak, hij vermagerde zienderogen en dreigde aan de honger te bezwijken.

‘Koro, ik heb zo’n vreselijke honger,’ jammerde hij, ‘ik denk dat ik doodga.’

‘Dogo, ik zal gaan jagen en een haas voor je schieten, die zal ik voor je klaarmaken, dan ben je er zo weer bovenop,’ sprak de oudste broer.

Hij struinde de bossen af op zoek naar wild, maar wat hij vond waren slechts door gieren kaalgevreten karkassen. Toen hij terugkwam van zijn mislukte jachtpartij zag hij dat zijn broertje op sterven lag. Hij aarzelde niet langer en nam drastische maatregelen.

‘Dogo, wordt wakker, ik heb wild voor je geschoten, een vuur aangelegd en het voor je klaargemaakt. Ruik je de geurige dampen?’

De jongen opende zijn ogen, snoof de heerlijke geur op van het gebraad en begon te eten van het vlees, tot het laatste vezeltje in zijn maag was verdwenen.

‘Oh, Koro, wat een heerlijk eten, je hebt mijn leven gered,’ sprak hij, terwijl de kleur terugkeerde op zijn gezicht.

‘Het is al goed,’ zei de oudste broer, ‘ga nu maar even wat hout sprokkelen, en zet wat water op voor de thee, dan kan ik wat rusten’.

Toen de jongen terugkwam met het brandhout, trof hij zijn oudere broer aan in diepe slaap en zag hij dat de stomp van diens linkerbeen was verpakt in een bloederig verband. Hij realiseerde zich wat zijn broer voor hem had gedaan en hij was diep geroerd.

Later, toen de rust in het land was weergekeerd en de hongersnoden voorbij waren, besloot hij verder te trekken naar het Oosten. Hij kwam aan op een vruchtbare plek aan de voet van een lange rotswand en stichtte er een dorp dat hij Dogo noemde. Hij was de eerste Dogon.

De oudste broer, door zijn handicap immobiel geworden, besloot te blijven aan de rivier en te leven van de visvangst. Hij is de voorvader van het vissersvolk, de Bozo.

De Dogon en de Bozo zijn dan ook broedervolken, die nooit met elkaar oorlog zullen voeren, en altijd hartelijk zullen bejegenen.

 

Koro = grote broer, Dogo = kleine broer (Mandé talen)

Historie (vervolg)

 

De Dogon is een van de Mandé volkeren, dat volgens mondelinge overlevering ergens rond de 14de eeuw in dit gebied is gearriveerd. De Dogon zouden nog tijdelijk hebben samengewoond met de Tellem, waarvan men aanneemt dat deze in de 15de eeuw zijn uitgestorven. De kern van het gebied van de Dogon is de ongeveer 200 km lange rotswand, waarop en waartegen de belangrijkste en meest tot de verbeelding sprekende dorpen te vinden zijn. Deze rotswand (door de Fransen de Falaise de Bandiagara genoemd) vormde een natuurlijke bescherming tegen vijandelijke volkeren. De dorpen waren hoog tegen die wand gesitueerd en bij dreigend gevaar vluchtten de Dogon, die in de vlakte hun akkers bebouwden en hun vee hoedden, met heel hun have en goed naar de hooggelegen huisjes. Mede daardoor is de Islam in de leefstijl van de Dogon amper doorgedrongen en is de leefwijze nog traditioneel en voor een belangrijk deel animistisch.

Aan het einde van de vorige eeuw zijn de huisjes tegen de rotswand voorgoed verlaten en vormen nog slechts een aandenken aan hoe het ooit was. De meeste van deze oude dorpen zijn helaas haveloos en vervallen, maar het gebied is sinds enkele jaren door de Unesco uitgeroepen tot werelderfgoed en het is te hopen dat aan dat verval dankzij restauratiesubsidies een einde komt.

Doorbladeren naar: